Het Fonds

Ontmoet onze adviescommissie-voorzitter Paulo Martina

Door: Annick Driessen / 23 juni 2020
Adviescommissievoorzitter Paulo Martina voor postkantoor. Foto: Egon Notermans studio Zebra
Adviescommissievoorzitter Paulo Martina voor postkantoor. Foto: Egon Notermans studio Zebra

Stel, je vraagt subsidie aan. Hoe wordt daarover besloten? En wie zijn de mensen die daarover gaan? Per subsidieregeling stelt het Fonds een passende adviescommissie samen, die bestaat uit mensen uit het veld. Zij beoordelen de aanvragen die voldoen aan de voorwaarden, aan de hand van de criteria die in de regeling staan. Een voorzitter – we hebben er 7 in totaal –  leidt dat proces. Adviescommissievoorzitter Paulo Martina vertelt hoe hij in deze functie terechtkwam en waarom hij dit werk al jaren met zoveel toewijding doet.

‘Na tweeënhalf jaar Rietveld Academie en daarna een studie kunstgeschiedenis, begon ik een beroepspraktijk als illustrator en ontwerper. Ik begon heel klein, maar werkte steeds groter, tot theaterdecors aan toe. Bij een galerie in Laren stelde ik altijd vrij werk tentoon en daarnaast werkte ik wel samen met een regisseur en een componist. Maar het leven als beeldend kunstenaar was me te eenzaam. Dus koos ik toch voor de andere richting. Ik ging bij een kunstuitleen en in musea werken en werd directeur, eerst van Museum Dr8888 en sinds kort bij Museum van Bommel van Dam. Mijn laatste tekening was het geboortekaartje voor mijn dochter, elf jaar geleden. Zij is ook heel creatief, vooral beeldend, terwijl mijn zoon van de podiumkunsten is: theater en muziek. Heerlijk dat ze dat hebben.

'Noordkant' - Rond 1999/2000 schilderde Paulo Martina de noordkust van zijn geboorte-eiland Curaçao
'Noordkant' - Rond 1999/2000 schilderde Paulo Martina de noordkust van zijn geboorte-eiland Curaçao

Mijn geschiedenis bij het Fonds is al best lang: ik begon ooit als adviseur in de commissie voor de subsidieregeling ouderenparticipatie. Die was toen net nieuw. Ik werd onder andere gevraagd omdat we destijds bij museum Dr8888 in een pilot samen met een verzorgingshuis tentoonstellingen en intergenerationele workshops organiseerden. Dat was toen nog relatief nieuw, maar wij wilden ons als maatschappelijk betrokken poneren. Bovendien hielpen vrijwilligers bij ons niet alleen op de geijkte plekken, als suppoost of aan de balie, maar ook bijvoorbeeld met onderzoek aan de collectie – we wilden de sterke kanten van mensen tot hun recht laten komen. Dat viel op, ook bij het Fonds.

Met ontzettend veel plezier zat ik jarenlang in adviescommissies – de laatste jaren als voorzitter – voor de regelingen Jonge Kunst, Urban arts, Age friendly cultural cities en nu voor de aanloopregeling Samen cultuurmaken verbreden. Het verbaasde me niet dat ik voor die laatste gevraagd werd, die draait om de verbinding tussen de cultuursector en welzijn.

“Mijn rol is om ervoor te zorgen dat alle argumenten op tafel komen, zonder mijn mening te geven. Soms zeg ik bijvoorbeeld: hebben jullie ook het filmpje gezien dat ze hebben gemaakt?”

Wat mooi is in zo’n adviescommissie: als commissielid zit je aan de andere kant van de tafel. De leden kijken heel serieus naar elke aanvraag en omdat ze midden in het werkveld staan, kennen ze de behoeftes maar zien ze ook de pijnpunten of zwaktes. Dat levert pittige discussies op, onderling en ook met mij. Ik heb zelf geen stem, maar ik verwacht bij elk punt een goede onderbouwing. We moeten de redenering helemaal scherp krijgen. Zeker in het verleden was ik behoorlijk betrokken bij de beginfase van een regeling, het hielp om daarover te kunnen meepraten.

Een rode draad is het dilemma waar discussies tussen commissieleden vaak op neerkomen: de verhouding tussen de artistieke en de participatieve kant. Soms ligt er zo’n interessant projectvoorstel, waar je heel blij van wordt, maar zonder dat het op alle criteria even hoog scoort. Uiteindelijk moet ik de commissie dan toch tot een uitspraak dwingen. Het is prettig dat in de regeling Samen cultuurmaken verbreden het sociaal-maatschappelijk domein zo belangrijk is, dat je iets meer ontspannen kan omgaan met het vereiste van artistieke kwaliteit. Zolang nog wel aan alle criteria voldaan wordt, natuurlijk.

Voor mijzelf is het werk als voorzitter van een adviescommissie een enorme leerschool – nog steeds! Als museumdirecteur ben je vooral bestuurder, al ben je natuurlijk ook inhoudelijk bezig. Ik kan heel goed een tentoonstelling maken en het museum runnen, maar in de adviescommissies krijg ik veel beter inzicht hoe we de connectie met het sociaal-maatschappelijk veld kunnen leggen en hoe we participatie kunnen inzetten. Het commissiewerk heeft zeker invloed op het museumbeleid.

“Je kunt je niet afwenden van de maatschappij. Ik denk zelfs dat de instellingen die nog op ‘de oude manier’ denken, het niet gaan halen.”

Ik herken het beeld wel dat het Fonds voor Cultuurparticipatie minder belangrijk zou zijn, of artistiek-inhoudelijk minder dan de andere Rijkscultuurfondsen, die er zijn voor de professionele kunstenaars. In mijn wereld richten instellingen zich meestal op bijvoorbeeld het Mondriaan Fonds. Maar de laatste jaren zie ik een kentering: culturele instellingen richten zich meer op de maatschappelijke kant. Het Stedelijk Museum Schiedam en het Van Abbemuseum zijn daar heel mooie voorbeelden van. Je kunt niet meer om participatie heen.’

Annick Driessen
Annick Driessen Communicatieadviseur